TJARKO EVENBOER
Verklaring over ‘De wereldwijde vloed’ en ‘De stenen getuigen’

Recentelijk heb ik het nieuws naar buiten gebracht dat ik het christelijk geloof verlaten heb. Voor velen komt dit waarschijnlijk als een verrassing. Anderen, die dichterbij mij staan, weten dat deze ommezwaai niet zomaar kwam; het is het resultaat van een jarenlang proces van verandering. Jarenlang had ik twijfels en ontstonden er steeds grotere haarscheuren in mijn paradigma. Ik heb vragen gesteld, nagedacht, gelezen, en mij oprecht verdiept in tegenargumenten op mijn eigen overtuiging. Uiteindelijk heb ik voor mijzelf geconcludeerd dat ik er altijd naast zat. Ik ben geen christen meer en geloof niet meer in de Bijbel als ‘goddelijk’ boek.

Hoewel ik in mijn boeken de Bijbel op alle fronten verdedigde, kreeg ik persoonlijk steeds meer moeite met het christelijk exclusivisme, het geweld namens God in het Oude Testament, de manier waarop de Bijbelboeken met de maatschappij mee-evolueerden, de overduidelijke tegenstrijdigheden en onjuistheden, het bipolaire Godsbeeld en het syncretische en menselijke karakter van de Bijbel. (Voor wie het interessant vindt heb ik dit veranderingsproces uitgeschreven, zie: ‘Waarom ik het christelijk geloof verlaat’.)

De eerste jaren probeerde ik mijn twijfels weg te werken door talloze theologische boeken en studies te lezen in de hoop ‘goede’ verklaringen te vinden. Ik las een hele rits theologische uiteenzettingen, maar ik ontdekte keer op keer dat de argumentaties zwak en gezocht waren. Niets was sluitend, niets was werkelijk bevredigend. Het leken allemaal verwoede pogingen de Bijbel te redden, tegen beter weten in.

Na jaren van oprecht zoeken maar niet vinden heb ik de handdoek in de ring gegooid. Uiteindelijk ben ik tot de conclusie gekomen dat de problemen niet op te lossen zijn, omdat de Bijbel simpelweg een menselijk boek is vol onjuistheden en tegenstrijdigheden. Mijn geloof bleek simpelweg niet meer te redden. Ik zie nu dat de argumenten van Bijbelkritiek vele malen sterker zijn dan die van de apologetiek. Ik wilde dat vroeger niet zien, maar het is waar.

Het is in dit licht niet verbazend dat ik niet meer achter de conclusies van mijn christelijke boeken, de ‘De Wereldwijde Vloed’ en het fictieboek in het verlengde ervan, ‘De Stenen Getuigen’, sta.

Het schrijven van ‘De Wereldwijde Vloed’ (2012) was een lang en intensief proces: zeven jaar lang deed ik onderzoek. Ik deed oprecht mijn best om bronnen goed te checken en de feiten eerlijk weer te geven. Ik trachtte zo objectief mogelijk te zijn en verdiepte me ook in heersende tegenargumenten. Toch, nu ik ruim zeven jaar na de publicatie van het boek terugkijk, zie ik duidelijker de lacunes in mijn eigen argumentatie. Ik zie nu dat echte objectiviteit niet bestaat: als christen was ik bevooroordeeld en had ik blinde vlekken. Nog steeds vind ik de studie naar vergelijkende mythologie fascinerend, en de parallelle mythen en legenden die ik in mijn boeken behandelde zijn nog steeds boeiende data – maar ik sta niet meer achter de conclusies die ik op basis van die data trok. Mijn ‘voortschrijdend inzicht’ heeft me doen inzien dat mijn gevolgtrekkingen te sterk gekleurd werden door mijn christelijke wereldbeeld.

Ik zal kort ingaan op de grootste problemen die ik heb met mijn eigen werk.

Mijn startpunt was niet objectief.
Hoewel ik mijn boek naar eer en geweten schreef, zie ik nu dat ik de informatie selecteerde in een vooropgesteld paradigma. Want al voor ik aan mijn onderzoek begon stond mijn conclusie vast: de Bijbel bevatte de waarheid. Parallelle legenden en mythen waren dus bij voorbaat niet gelijkwaardig aan de Bijbel, maar moesten verwaterde versies zijn van de ‘echte’, Bijbelse geschiedenis.

Ik ben er tegenwoordig achter gekomen dat als je écht objectief wil gaan zoeken naar waarheid, je niet op zoek moet naar argumenten voor je eigen overtuiging, maar juist moet gaan zoeken naar de beste argumenten voor de tegenovergestelde stelling. Enkel op die manier kun je vaststellen of dat wat je klopt werkelijk vrij is van aannames en ‘wishful thinking’. Destijds was ik zó sterk overtuigd van de Bijbelse waarheid dat ik hier niet goed toe in staat was. Ik wilde veel te graag de authenticiteit van de Bijbel bewijzen.

Allereerst: dat er wereldwijd fascinerende parallellen zijn in mythen en volksverhalen, is buitengewoon boeiend. Maar mijn startpunt was subjectief omdat ik bij voorbaat zocht naar mythen die Genesis bevestigden. Zo liet ik een groot deel van de hindoeïstische mythen buiten beschouwing, en besteedde enkel aandacht aan de delen die overeenkwamen met Genesis. Je zou kunnen zeggen dat mijn onderzoek naar mythen retrospectief was, en niet prospectief. Het geeft daardoor niet een evenwichtig beeld van elementen uit volksmythologie.

Ten tweede: ik plaatste al deze mythen en legenden in een ‘Bijbels raamwerk’, m.a.w. ik ging uit van de aanname dat de Bijbel de zuivere waarheid bevatte, en de rest automatisch een afgeleide moest zijn. In werkelijkheid zou het evengoed mogelijk kunnen zijn dat de Bijbel één van de mythen is. Parallellen in mythen zijn tenslotte al eeuwen onderzoeksterrein van geleerden. Ik heb de mythen echter volledig vanuit mijn vooropgestelde paradigma bekeken en er een op de bijbel gebaseerd historisch raamwerk mee gereconstrueerd – met de allerbeste bedoelingen, nogmaals. Nog altijd vind ik de overeenkomsten fascinerend, maar ik twijfel of mijn voorkeur voor de Bijbel eerlijk was.

Ten derde: zelfs al zou Genesis 1-11 authentieker of origineler zijn dan de andere mythen, dan rechtvaardigt dat nog altijd niet mijn conclusies. Feitelijk beredeneerde ik als volgt: omdat Genesis 1-11 bevestigd wordt door veel andere volken, is de Bijbel (en dus óók alle later geschreven geschriften die tot onze huidige ‘Bijbel’ behoren) waarheidsgetrouw en is het christendom dus de waarheid. Deze stelling is een non sequitur; de conclusie volgt niet uit de bewijzen. De mogelijke authenticiteit of waarheidsgetrouwheid van Genesis zegt namelijk niets over alles wat daarna geschreven werd, en bewijst ook niet per definitie dat de beschreven gebeurtenissen waar zijn. Het christelijk geloof is ook niet het enige geloof dat Genesis tot haar heilige boeken claimt. We zouden met dezelfde argumentatie kunnen stellen dat het Talmoedistische Jodendom of het Mormonisme de waarheid bevat, omdat deze religieuze ideeën eveneens voortbouwden op Genesis.

Zoals ik het nu zie is Genesis simpelweg een door mensen gemaakt boek; een duizenden jaren oud mythisch en religieus geschrift dat is voortgekomen uit een verzameling van (veelal orale) bronnen vol invloeden van andere volken. Ik denk dat ik er met mijn kleitablettenhypothese naast zat; de documentaire hypothese waar ik mij zo tegen afzette heeft, zo denk ik nu, veel betere papieren, en verklaart veel beter de ontwikkeling van cultus in de Bijbel (zie hiervoor de eerste twee hoofdstukjes van ‘Waarom ik het christelijk geloof verlaat’). Het is voor mij nu zeer duidelijk dat de Bijbelboeken mee-evolueerden met de maatschappij – alle religieuze concepten (Godsbeeld, cultus, ideeën over het geestelijke) ontwikkelden zich namelijk stap voor stap van Genesis tot aan het Nieuwe Testament (en daarna).

Hoe dan ook: dat de oudste delen van Genesis overeenkomsten bevatten met talloze andere mythen is niet meer dan normaal. Genesis past volledig in de culturele omgeving van het oude Kanaän (met parallellen met Egypte, Babylon, en mogelijk zelfs India en Europa). Mijn bewering dat Genesis de ‘waarheid’ bevat en de werkelijke loop van de geschiedenis weergeeft, en mijn hele reconstructie van deze geschiedenis en de bijbehorende argumentatie waarom enkel Genesis ‘oorspronkelijk’ is, is – zo denk ik nu – vooral voortgekomen uit mijn diepe wens mijn (Bijbelse) wereldbeeld bevestigd te zien. En ik kijk daar niet op neer; ik weet hoe ‘diep’ het geloof bij mij zat, en dat dit voor veel christenen geldt.

Ik zal in de komende paragrafen wat dieper ingaan op de problemen die ik nu met mijn eigen conclusies heb.

Het boek leunt sterk op anekdotische bewijzen.
De zeven jaar die ik wijdde aan onderzoek naar legenden en mythen, bestonden voornamelijk uit literatuuronderzoek: ik bestudeerde allerhande boeken over mythologie en volksverhalen. Het grote probleem is echter dat we in veel gevallen moeilijk kunnen vaststellen of iets wat ooit werd opgeschreven, authentiek is. Als wetenschappers een natuurkundig experiment doen, dan kunnen zij empirisch vaststellen hoe de werkelijkheid zich gedraagt. Maar met een niet-exacte wetenschap als geschiedkunde, is dat veel moeilijker. Voor de studie van geschiedenis en eeuwenoude culturen zijn we aangewezen op geschreven bronnen waarvan we niet altijd de betrouwbaarheid kunnen controleren, zeker niet wanneer een bepaald historisch gegeven in slechts één of enkele bronnen genoemd wordt.

Eigenlijk hebben we te maken met twee verschillende ‘lagen’ van authenticiteit: allereerst is er de vraag of een bepaalde oude bron authentiek is, ten tweede is er de vraag of datgene wat beschreven wordt in die oude bron werkelijk gebeurd is. Daar waar we te maken hebben met controleerbaar duizenden jaren oude geschriften (bijvoorbeeld inscripties, gevonden kleitabletten of teksten in Egyptische piramides) is de authenticiteit van ‘laag 1’ compleet helder, en is die van ‘laag 2’ niet vast te stellen, maar hooguit aannemelijk te maken door bevestiging uit andere onafhankelijke bronnen. Maar wanneer we te maken hebben met orale overleveringen of culturele beschrijvingen die in de laatste eeuwen op schrift zijn gesteld, dan is zowel de authenticiteit van ‘laag 1’ als ‘laag 2’ niet vast te stellen. Voor mijn boek heb ik zeker gebruik gemaakt van voor handen zijnde eeuwenoude inscripties en kleitabletten. Maar in veel gevallen moest ik het doen met verslagen van reizigers, westerse historici in verre culturen, schrijvers die in koloniën gestationeerd waren en zelfs zendelingen. En die categorie verslagen zijn uiteindelijk niet te controleren.

Wat vloedverhalen betreft beperken de echte, duizend jaar oude geschriften zich zo’n beetje tot Egypte, het Nabije Oosten, Babylonië, Griekenland en India, Perzië en China. Van deze culturen kunnen we vrijwel onomstotelijk vaststellen dat ze vloedverhalen (en andere mythen) kennen die sterk overeenkomen met Genesis. Het feit dat deze culturen gemeenschappelijke mythen hebben ligt echter in de lijn der verwachting: het is logisch dat de volken in een groter gebied gemeenschappelijke mythen hebben en mythische elementen van elkaar lenen. Het bewijst nog niets over of dat wat ze beschreven (een wereldwijde vloed) echt gebeurd is.

In mijn boek zijn het daarom vooral de mythen van verafgelegen culturen die een redelijk argument zouden kunnen zijn dat onze voorouders werkelijk een vloed hebben meegemaakt. Maar juist die culturen (Afrikaanse stammen, Indianenvolken, Maori en Aboriginals) bezitten geen duizenden jaren oude geschriften. Vaak kennen ze zelfs geen schrift. De vloedverhalen van deze volken zijn vaak opgetekend door Westerlingen die ooit hun culturen beschreven, of door ontdekkingsreizigers en zendelingen.

De belangrijkste bronnen met het oog op vloedverhalen zijn de werken van Sir James George Frazer (1854 – 1941) en Theodor Herzl Gaster (1906 – 1992). Frazer was een gewaardeerde antropoloog die pionierend onderzoek deed naar gemeenschappelijke elementen in religie en mythe. Van alle wereldwijd opgetekende vloedverhalen is Frazer een van de voornaamste verzamelaars en hij is een van de bronnen die ik het meest citeer. Het probleem is echter dat Frazer zelf (op Italië en Griekenland na) geen enkel land bezocht heeft. Zijn bronnen bestonden voornamelijk uit oude op schrift gestelde historische werken en vragenlijsten die hij stuurde naar zendelingen en functionarissen die actief waren in koloniën en verre culturen. De vloedverhalen van bijvoorbeeld Afrikaanse stammen en Aboriginals zijn volledig gebaseerd op de verslagen van zendelingen en andere Westerlingen in de betreffende culturen. En daar wringt de schoen, want hoe kunnen we zeker weten dat deze (vaak christelijke) Westerlingen een eerlijke analyse deden van de plaatselijke culturen?

Het is tegenwoordig bekend dat de eerste bezoekers van verafgelegen gebieden de geografie en natuur van de onbekende wereld in hun reisverslagen vaak aandikten, foutief uit hun herinnering ophaalden en dingen vanuit hun Europese bril interpreteerden; later zijn deze zaken grotendeels rechtgezet. Ook is het bekend dat onderzoekers in koloniën er soms achteraf compleet naast zaten in hun weergaven van de plaatselijke mythologie. Soms projecteerden ze onbewust hun eigen cultuur en archetypes op de inheemse mythen. De verslagen waren interessante vormen van entertainment voor de Westerse wereld, maar zeker niet altijd waarheidsgetrouw. We weten daarom niet of de mensen die Frazer van bronnen voorzagen werkelijk ongekleurde weergaven van de inheemse legenden doorgaven. De bewijzen zijn anekdotisch van aard; we hebben niets om ze te kunnen checken.

Daar komt bij dat Frazer in de decennia na het schrijven van zijn werken kritiek van andere wetenschappers kreeg dat hij de neiging had culturen door een Westerse, Europees-christelijke bril te bekijken: hij zocht bewust naar de thema’s die in overeenstemming leken met de Bijbel. Frazer verrichte dus goed pionierswerk, en hij wordt zeker gewaardeerd voor zijn analyses, maar zijn visie was niet ongekleurd. Tel daarbij op dat de mensen van wie Frazer de verhalen toegezonden kreeg christen waren, en we weten dat de kans groot is dat men dingen – bewust of onbewust – probeerde te begrijpen vanuit de Bijbel. (Theodor Herzl Gaster, de tweede voorname bron in dit onderwerp, was een bijbelleraar, en had dus – in tegenstelling tot Frazer – ook een motief om de exotische mythen te plaatsen in een Bijbels kader).

Kortom: we kunnen alleen met volle zekerheid iets zeggen over de vloedverhalen uit gebieden waar men een schrift kende. De vloedverhalen uit verafgelegen gebieden zijn door een filter gegaan van Westerlingen en christelijke zendelingen, en kunnen dus gekleurd en aangedikt zijn.

Het probleem met Inheems-Amerikaanse mythen
In dit rijtje is er nog een speciale categorie mythen die precies tussen de net genoemde categorieën vallen: die van de inheems-Amerikaanse volken, zoals de Maya’s en Azteken. Zij woonden vanuit Israël gezien aan de andere kant van de wereld, maar kenden wél een schrift. Ik behandel in mijn boek een groot aantal inheems-Amerikaanse mythen die Genesis zeer sterk bevestigen. Ik zag deze mythen altijd als de sterkste bewijzen, want dat zelfs zulke verafgelegen volken een geschreven geschiedenis kennen die Genesis bevestigt, moet toch wel aantonen dat Genesis ‘echte geschiedenis’ bevat?

Toch denk ik momenteel dat dit argument niet standhoudt. Het probleem is namelijk juist dat het feit dat we authentieke geschriften bezitten de suggestie wekt dat we te maken hebben met ongekleurd inheems materiaal. Maar dat is het waarschijnlijk niet. Feit is namelijk dat we geen enkel vloedverhaal van deze volken hebben dat aantoonbaar dateert van voor de komst van de Europeanen. De Mayageschiedenis in de Popul Vuh werd opgetekend in de 16e eeuw; de Azteekse geschiedenis werd in opdracht van de Spanjaarden opgetekend door de Azteek Ixtlilxóchitl in de vroege 17e eeuw.

Met name de beschrijving van de Tolteekse vloedlegende door de Azteek Ixtlilxóchitl is fascinerend, omdat deze legende duidelijk spreekt over een wereldwijde overstroming en een torenbouw waar talen verward werden. Ixtlilxóchitl beschrijft zelfs een tijdperk voor de vloed dat qua tijdsduur grofweg overeenkomt met de tijdsduur die we uit de Bijbel kunnen destilleren. We kunnen met redelijke zekerheid vaststellen dat dit Azteekse geschrift ‘authentiek’ is (ik heb het destijds grondig nagezocht), maar we kunnen niet vaststellen of de schrijver niet beïnvloed was door de christelijke Westerlingen.

In mijn boek verdedig ik de stelling dat deze Inheemse kroniekschrijvers geen enkele reden hadden om hun tradities te vervalsen. De Spanjaarden hadden tenslotte talloze geschriften verbrand omdat deze ‘heidens’ waren, en iemand als Ixtlilxóchitl zou zich juist ten doel geteld hebben de overleveringen van zijn volk die er nog wel waren, te conserveren. Dit is nog steeds een prima argument, maar het is niet sluitend. Je zou namelijk ook kunnen beargumenteren dat Ixtlilxóchitl juist vanwege het geweld van de Katholieke Spanjaarden wél een motief had christelijke invloeden in zijn werk op te nemen. Ixtlilxóchitl tekende zijn geschiedkundige werk namelijk niet voor niets ook in het Spaans op; de reden was dat hij het schreef voor Spaanse edelen en religieuzen, die ervan overtuigd waren dat het katholieke geloof het enige ware was. Talloze heiligdommen waren vernietigd, Indianen waren vermoord – allemaal omdat het Azteekse geloof ‘heidens’ was. Ixtlilxóchitl zou daarom bést gedacht kunnen hebben dat, als hij wat Bijbelse zaken vermengde met zijn volkshistorie, zijn volk en haar cultuur meer gewaardeerd zou worden door de overheersers. Wanneer de Azteken ineens in een ‘Bijbels kader’ vallen (namelijk: een volk zijn dat na de vloed en na Babel naar hun huidige gebied trok), dan ineens verandert de Azteekse geschiedenis in een ‘geweldig bewijs’ dat de Bijbel waar is, wat de kans op Spaans vandalisme mogelijk zou verminderen. Daarbij weten we niet in hoeverre Ixtlilxóchitl niet zélf reeds door het christendom beïnvloed was, want de kolonisatie van zijn land door de katholieke Spanjaarden was al begonnen met de aankomst van Hernán Cortez in de periode 1519-1521. Hij schreef de geschiedenis van de Azteken pas op in de jaren 1600-1608 – meer dan tachtig jaar later! Ixtlilxóchitl was geboren onder de Spaanse overheersing, wat betekent dat hij ook zijn hele leven gedwongen was blootgesteld aan het christendom.

Feit is, hoe dan ook, dat we geen toegang hebben tot de oorspronkelijke Tolteekse verhalen, en dus moeten we  Ixtlilxóchitl – die in opdracht van de Spanjaarden schreef – op zijn blauwe ogen geloven. Het mag dan een ‘geschrift’ zijn, het blijft een anekdotisch bewijs dat dateert uit een tijd dat er al volop christelijke invloed was in Amerika.

Toen ik mijn boek schreef was mijn overtuiging van de Bijbelse waarheid zo sterk dat ik deze problemen niet zag. Pas nu, nu ik met mijn geloof gebroken heb, wordt mij duidelijk dat ik een behoorlijke ‘christelijke naïviteit’ had toen ik mijn onderzoek deed. Prof. dr. Mart-Jan Paul benoemde in een recensie van mijn boek reeds dat het feit dat de vele literatuurbronnen moeilijk op betrouwbaarheid gecontroleerd kunnen worden een zwakte is in mijn boek, en ik geef hem in dit opzicht gelijk. Ik deed destijds mijn best de bronnen zo goed mogelijk na te zoeken, maar ik was niet argwanend genoeg om het inhoudelijke waarheidsgehalte van die bronnen kritisch tegen het licht te houden.

Het probleem van negentiende-eeuwse literatuur
Een andere zwakte in mijn boek – een die in het verlengde van de vorige ligt – is dat het soms zeer moeilijk is toegang te krijgen tot de meest authentieke opschriftstelling. Er zijn in de 19e en vroege 20e eeuw zeer veel boeken geschreven over mythen en religies van volken, waarin zaken worden geciteerd die soms moeilijk getoetst kunnen worden. Ik heb bij het schrijven van mijn boek mijn best gedaan de bronnen zo ver mogelijk aan de wortel terug te vinden, maar soms was niet mogelijk en moest ik het doen met secundaire bronnen.

Een van de ‘probleemgevallen’ is de vloedmythe van het oude India. De mythe van Manu die door een vis geleid in een boot aan de vloed ontkomt en strand op een berg in de Himalaya, is authentiek – dat wil zeggen: ze is onderdeel van de religieuze geschriften van India. We komen de mythe al tegen in de Shatapatha Brahmana, een geschrift waarvan de oorsprong ver voor Christus ligt, dus iedere kans op christelijke invloed is uitgesloten. Het vloedverhaal is zéker fascinerend, maar we moeten niet vergeten dat het niet zo vreemd is dat India een sterk op Genesis gelijkende vloedmythe kent, gezien het feit dat bijna ieder volk in het grotere gebied destijds een vloedverhaal kende – bijvoorbeeld ook de Babyloniërs en de latere Perzen. Het vloedverhaal behoort tot de volheid van gemeenschappelijke mythen van veel culturen in de Oudheid die onder elkaars invloed stonden.

Het wordt pas echt frappant wanneer blijkt dat het hindoeïstische geschrift Padma Purana beweerde dat Manu drie zonen had, Sherma, Charma en Jyapeti genaamd. De grote naamsverwantschap maakte de argumentatie dat de Bijbel het meest authentieke verslag kende, ineens heel aannemelijk. De vermelding van de drie zonen van Noach in India is fascinerend, spreekt tot de verbeelding en lijkt te indiceren dat de volken werkelijk uit Noachs zonen zijn voortgekomen.

In de tijd dat ik mijn boek schreef was ik mij bewust van het feit dat je een bron zo ver mogelijk aan de wortel moet proberen te traceren. Zo heb ik ook de Popul Vuh van de Maya’s en het Gilgamesj-epos van de Babyloniërs in de kast staan, omdat ik op die manier een zo letterlijk mogelijke vertaling kon inzien. Helaas kon ik in de periode dat ik mijn boek schreef geen Engelse (of Nederlandse) vertaling van de Padma Purana vinden. Ook op internet was nergens een vertaling van het geschrift inzichtelijk. Ik had echter meerdere boeken over mythologie geraadpleegd die Sherma, Charma en Jyapeti noemden, en dus besloot ik om deze secundaire bronnen te citeren. Ik was niet argwanend, want waarom zou iemand de boel vervalsen?

Nu, zeven jaar na het schrijven van mijn boek, is er al veel meer materiaal beschikbaar en ben ik het nogmaals intensief gaan onderzoeken. Hoewel een integrale vertaling van de Padma Purana nog altijd moeilijk te vinden is, vond ik wel een geparafraseerde vertaling op internet. Hier vond ik slechts één verwijzing in naar zonen van Manu: “Vaiwasvata Manu had ten sons, viz. Ila, Ikshvaaku, Kushanaabha, Arishta, Dhrushta, Narishyant, Karusha, Mahabali Sharyati, Prushaghna and Naabhaga.” Tien zonen dus, en geen een die op Sem, Cham of Jafeth lijkt.

Toen ik de Padma Purana verder doornam ontdekte ik echter al gauw dat er een heleboel ‘Sharma’s’ genoemd worden in de tekst: Dharma Sharma, Vishnu Sharma, Veda Sharma, enzovoorts. Ook komt ‘Prajapati’ soms in de tekst voor, iets wat niet vreemd is aangezien men in het hindoeïsme de term ‘Parjapati’ kent voor zonen van Brahma. Tenslotte werd ook de term ‘Karma’ soms in het geschrift genoemd – wederom niet vreemd, want karma is een bekend onderdeel van de hindoeïstische filosofie, en met wat fantasie en weinig kennis over het hindoeïsme zou je kunnen denken dat het hier om en verbastering Cham gaat. Dit deed bij mij het akelige voorgevoel rijzen dat Westerse christenen in India ooit delen van de Padma Purana tot zich namen, en de namen die deden denken aan de christelijke/bijbelse personages, eruit gepikt hadden. Anders gezegd: men las over Manu (waarvan bekend was dat het de overlevende van de vloed was), en men zag ook ‘Sherma’ in de tekst staan, en ‘karma’ en zelfs ergens ‘Prajapati’, en men dacht: hee, blijkbaar zijn de zonen van Manu ook bekend in India!

Uiteindelijk vond ik de bevestiging van dit idee toen ik ontdekte wie de allereerste was die over Sherma, Charma en Jyapeti had geschreven: Francis Wilford (1761–1822), een oriëntalist die in India actief was en bekend staat nogal sensationeel en ongeloofwaardige artikelen te hebben geschreven over de Hindoe-mythologie. Wikipedia zegt zelfs letterlijk over hem: “Wilford claimed to have discovered the Sanskrit version of the story of Noah (who had three sons – Japheth, Ham, and Shem) named Satyavrata (in Sanskrit) and his three sons Jyapeti, Charma, and Sharma from a Vedic scripture titled Padma-puran. The actual scriptural text does not attest Wilford’s version.” Kortom: de Padma Purana spreekt niet over Sherma, Charma en Jyapeti: Francis Wilford fabriceerde deze mythe, welke in de eeuwen daarna veelvuldig overgenomen werd in andere werken.

Als ik dit zeven jaar geleden ontdekt had, dan had ik de verwijzing naar de Padma Purana uiteraard niet opgenomen in mijn boek. Dit voorbeeld laat echter zien dat verwijzingen van negentiende-eeuwse onderzoekers van mythen niet zomaar vertrouwd kunnen worden. Bij het schrijven van mijn boek gaf ik een mythe als deze te snel het voordeel van de twijfel. Nu weet ik dat er goede redenen zijn om negentiende-eeuwse lectuur kritisch te bekijken.

Ik meende bij het schrijven van mijn boek dat de vele verwijzingen naar Genesis in mythen onder invloed van het Darwinisme in vergetelheid geraakt waren; tenslotte vond ik ze nog veelvuldig in negentiende-eeuwse boeken, maar daarna werd het rap minder. Nu zie ik dat ik de werkelijkheid omdraaide: verwijzingen naar fascinerende parallellen met Genesis kwamen vroeger vaker voor omdat men naïever was en verslaggevingen die het christelijke wereldbeeld ondersteunden gemakkelijk publiceerde, en ze verdwenen omdat veel ervan later door goed en gedegen onderzoek werden ontkracht.

En trouwens: zelfs al zou de Padma Purana wél over Sharma, Charma en Jyapeti spreken, dan nog is het geen sterk argument. Het geschrift is namelijk in de Middeleeuwen nog veelvuldig aangepast. Volgens sommige geleerden werd pas in de 17e eeuw de laatste hand aan het geschrift gelegd. India had in die tijd al lang en breed contact had met het Midden-Oosten, met moslims en joden en vermoedelijk ook christenen. Kortom: het zou nog steeds zeer goed verklaard kunnen worden door beïnvloeding door de judeo-christelijke religies.

Het is belangrijk hierbij te noemen dat de door Wilford gefabriceerde verwijzing naar Sherma, Charma en Jyapeti een uitzondering is; het is niet zo dat mijn boek vol zulke ‘missers’ zit. Ik heb de verwijzingen in mijn boek altijd zeer goed doorgelicht. De parallellen tussen Genesis en de mythen van Egypte, de Grieken, de Scandinaviërs – om wat voorbeelden te noemen – zijn allemaal, bij mijn beste weten, accurate weergaven van de mythen. Maar dan nog steeds is het niet zo dat deze overeenkomsten bewijzen dat de Bijbel de meest accurate en getrouwe weergave is.

De missionaristheorie rammelt
In mijn boek verwerp ik de zgn. ‘missionaristheorie’: de verklaring die zegt dat de wereldwijd voorkomende vloedverhalen zijn ontstaan door invloeden van zendelingen en het christendom in het algemeen. Uitgaande van mijn nieuwe startpunt dat echt objectief onderzoek begint bij het zoeken naar de beste argumenten van je opponent, ben ik dit idee opnieuw gaan onderzoeken, en van mening veranderd. Invloeden uit het christendom zijn wel degelijk een heel sterk argument voor het bestaan van wereldwijde vloedverhalen.

De missionaristheorie gaat niet op voor de vloedverhalen die al duizenden jaren geleden in het Nabije Oosten bestonden, want die ontstonden al ver voor het christendom bestond. Deze vloedverhalen zijn echter ook geen bewijs van een wereldwijde vloed, ze laten hooguit zien dat we tot in een behoorlijk groot gebied dezelfde mythische concepten terugzien. Genesis is één van die concepten.

De vloedverhalen onder de bevolking van Afrika, Amerikaanse Indianen, Maori, Aboriginals en Polynesiërs zouden echter wel degelijk door christelijke invloeden ontstaan kunnen zijn. Zoals reeds vermeld waren de mensen die de verhalen optekenden vaak Westerlingen en zelfs vaak christelijk. Het feit dat zendelingen vaak de bron zijn van de opschriftstelling van een mythe, is in feite zelfs een sterk argument vóór de missionaristheorie.

Maar laten we er voor het gemak vanuit gaan dat de betreffende Westerlingen die de mythe constateerden en vastlegden wel accuraat te werk gingen. Zelfs dan weten we in veel gevallen niet zeker of de mythe niet terug te voeren is naar eerder contact met christenen. De verhalen die Frazer vastlegde zijn voor het overgrote deel in de late 19e eeuw en vroege 20e eeuw genoteerd – vaak al eeuwen na de komst van de eerste Europeanen op de betreffende plaatsen. Ik beargumenteerde in mijn boek echter dat de aard van de verhalen niet wijst naar christelijke invloeden, omdat ze vaak volledig in stijl zijn van de plaatselijke folklore en verder ook geen christelijke invloeden kennen. Doorgaans worden regionale plaatsnamen genoemd, hebben de hoofdrolspelers in de mythen namen in de inheemse taal en worden inheemse goden genoemd als zenders van de vloed. Bovendien: een zendeling zou als eerste over de dood en opstanding van Jezus Christus spreken, en de volken horen we daar toch ook niet over? Welke zendeling gaat een volk nou over de vloed vertellen?

Toch rammelt deze argumentatie, en wel vanwege de volgende redenen:

  • Het is waar dat zendelingen doorgaans over Jezus vertellen en niet over Genesis 1-11. Maar ik ging voorbij aan het feit dat de (veelal katholieke) Europeanen die de gebieden als eerste bezochten mogelijk wel degelijk over de vloed en de toren van Babel verteld zouden hebben. De reden is namelijk dat men in die tijd een strikt Bijbels wereldbeeld aanhing, en de volken die men ontdekte ook interpreteerde vanuit dit beeld. De Europeanen maakten voor het eerst contact met exotische volken die ze nog nooit eerder hadden gezien; volken die een totaal andere levensstijl kenden en helemaal niet christelijk waren. Waar kwamen deze volken vandaan? Hoe was het mogelijk dat deze volken niks van God afwisten? De katholieke ontdekkingsreizigers probeerden daarom de volken in te passen in hun christelijke wereldbeeld. En dat kon maar op één manier, namelijk door hun oorsprong de koppelen aan de periode vlak na vloed en torenbouw.[1] De Bijbel vertelt namelijk dat de volken na de torenbouw van Babel van elkaar gescheiden werden. De ‘nieuwe’ en ‘wilde’ volken die de Westerlingen tegenkwamen moesten dus wel op dát punt van de geschiedenis ontstaan zijn. De ontdekkingsreizigers kwamen terug en rapporteerden aan keizers en kerkleiders dat ze nieuwe volken ontdekt hadden, mysterieuze volken die na Eden, de vloed en Babel de aarde bevolkt hadden. Ook nieuwe lichtingen reizigers die de gebieden bezochten gingen er naartoe met dit idee in hun achterhoofd en benaderden de volken vanuit deze gedachte. Het is dus wel degelijk logisch dat de Europeanen met deze volken over de vloed en de torenbouw van Babel spraken; het was in hun ogen direct relevant voor de nieuw bereikte volken. De koloniale Europeanen – die zichzelf altijd superieur achtten en geloofden dat hun reizen in naam van God ondernomen werden om zo wereldwijd het christendom te verspreiden – hadden het voorecht de ‘primitieve volken’ te vertellen waar hun oorsprong lag. Het is in dat licht helemaal niet gek dat we eeuwen later nog mondelinge tradities tegenkomen van een vloed en een taalverwarring, veelal aangepast aan de inheemse cultuur.

  • De tweede fout die ik maakte was dat ik een cirkelredenering beging door te stellen dat ‘echte christelijke beïnvloeding makkelijk opvalt tussen de rest’. Inderdaad: als primitieve stammen spreken over een man die aan het kruis stierf en opstond uit de dood, begrijpen we direct dat ze dit van christenen gehoord moeten hebben. De cirkelredenering zit hem echter hier in: als we tegenwoordig een primitieve stam horen spreken over ‘de inheemse sjamaan Baha-i die aan het kruis stierf en daarna levend werd’ zeggen we: dat is overduidelijk christelijke beïnvloeding! Maar als we diezelfde primitieve stam horen spreken over ‘een inheemse sjamaan Baha-i die in een boot aan een vloed ontkwam’ hanteren we een andere maat en zien we het als een bewijs dat ze nog authentieke mondelinge overleveringen van de vloed kennen. Terwijl beide zaken het gevolg kunnen zijn van contact met christenen, enkele eeuwen ervoor.

  • Het feit dat de volken de vloedverhalen vertellen in hun eigen culturele stijl en met inheemse namen en termen, betekent niet dat het een authentieke mythe is. Als een missionaris het volk 150 jaar eerder over de zaken verteld heeft, zal het verhaal d.m.v. mondelinge overlevering al lang en breed vervaagd zijn en aangepast zijn aan cultuurgebonden gebruiken. Het zou in dat scenario zelfs heel vreemd zijn als dat niet het geval zou zijn!

  • Ten slotte: het idee dat volken werkelijk ‘na de torenbouw van Babel’ (pak ‘m beet vierduizend jaar geleden) de wereld in zijn getrokken en AL DIE TIJD de geschiedenis bewaard hebben door mondelinge overlevering, is – zo zie ik nu – bijna onmogelijk te beargumenteren. Hoe blijft een verhaal zo lang geconserveerd zonder volledig de essentie te verliezen? Ga eens na: hoeveel verhalen of anekdotes ken je van je overgrootouders? Waarschijnlijk bijna niets. Misschien dat je een enkele anekdote kent omdat je grootouders je iets over hun ouders vertelden, maar verder dan dat gaat het niet. En dat terwijl wij in het Westen zeer geletterd zijn! En dan zouden we moeten geloven dat OVERAL ter wereld, honderden volken via mondelinge overlevering een verhaal van generatie op generatie hebben overgeleverd, zelfs zó gedetailleerd dat het nu 4000 jaar later nog steeds perfect overeenkomt met de Bijbel. Hoe langer ik erover nadenk, hoe slechter ik kan begrijpen dat ik dit geloofd en verkondigd heb. De wereldwijde sterke overeenkomst tussen vloedverhalen en Genesis zijn juist een indicatie dat de mythen niet langer dan enkele honderden jaren oud zijn en voortkomen uit beïnvloeding door… christenen.

Dit geldt, even voor de duidelijkheid, echt niet voor alle vloedverhalen. Er zijn ‘echte’ authentieke vloedverhalen op aarde. Maar de kans dat vloedverhalen van verafgelegen volken met ‘fascinerende parallellen’ met Genesis echt authentiek zijn, daarop is zeer, zeer veel af te dingen.

In mijn boek stel ik dat Genesis de meest accurate verslaggeving van de vloed weergeeft omdat precies de elementen van Genesis op wereldwijde schaal (op alle continenten) voorkomen. Maar ik zie nu dat dit juist een sterke indicatie is dat we te maken hebben met christelijke invloeden. Want het is ondenkbaar dat een verhaal meer dan 4000 jaar tot in detail bewaard zou kunnen blijven. Natuurlijk zijn er culturen waarin mondelinge overlevering heilig is en op religieuze wijze wordt overgeleverd van generatie op generatie, maar dan nog zal zo’n verhaal in slechts honderden jaren op detailniveau sterk gaan afwijken. Dat een zeer indringende gebeurtenis 1000 jaar lang bewaard zou blijven door mondelinge overlevering, zou al heel uitzonderlijk zijn. Maar dat het vloedverhaal – zelfs inclusief details als het driemaal uitzenden van vogels – maar liefst 4000 jaar bewaard zou zijn is te miraculeus voor woorden. Het is al ongeloofwaardig als één volk zulke details 4000 jaar weet te bewaren, laat staan honderden volken.

Het feit dat precies de elementen van Genesis wereldwijd te vinden zijn, kan zeer goed verklaard worden door het feit dat de Bijbel het meest verspreide boek op aarde is, en het christendom de religie is die bijna alle ontdekkingsreizigers in de 16e – 18e eeuw met zich meenamen.

Hoe wereldwijd vloedverhalen ontstonden die sterk op Genesis lijken
De term ‘missionaristheorie’ suggereert een directe transmissie van het vloedverhaal door zendelingen, naar een inheemse cultuur. In werkelijkheid hoeft het echter helemaal niet te gaan om rechtstreekse invloeden van zendelingen, maar om zeer subtiele beïnvloeding van plaatselijke orale overleveringen vanaf het moment dat een volk onder christelijke invloed kwam te staan. We vergeten gemakkelijk dat de kolonisatie van verre oorden vanuit het christelijke westen al zo’n vijfhonderd jaar aan de gang is. Dat is lang genoeg voor een over-en-weer-beïnvloeding, waarbij verhaalelementen van de overheerser de plaatselijke folklore binnensluipen, en men op een bepaald moment niet eens meer weet dat de elementen eeuwen geleden niet tot de folklore behoorden.

Dit soort onbewuste beïnvloeding van inheemse mythen door die van de kolonisator heeft vooral betrekking op die mythische elementen die de twee groepen gemeen hebben. Anders gezegd: als een volk een mythe heeft over een overstroming of over een paradijstoestand waar ooit een einde aan kwam, dan zullen alleen die mythische elementen vatbaar zijn om in de loop der eeuwen beïnvloed te worden door opgetekende ‘versies’ van de kolonisator – namelijk het vloedverhaal en de zondeval zoals deze in de Bijbel beschreven worden.

Neem de Indianenvolken in Noord-Amerika waarbij het driemaal uitzenden van vogels of andere dieren een terugkerend element is: vermoedelijk had zo’n inheemse stam inderdaad een vloedmythe – een waar helemaal geen dieren werden uitgezonden – maar na eeuwenlang onder christelijke invloed te hebben gestaan en christelijke kerken in gedwongen te zijn (in ruwweg de periode 1500-1800) zijn de Indianen zélf elementen uit het Bijbelse verhaal gaan vermengen met hun mondelinge vertellingen van het vloedverhaal. Het is moeilijk om een orale overlevering van een vloed intact te houden als je regelmatig onder de invloed komt van de op schrift gestelde Bijbelse versie met Noach! Welke inheemse Amerikaan weet in het jaar 1840 nog of de vloedoverlevering van zijn volk zoals zijn ouders hem die vertelden onbesmet en volledig authentiek is? Dat wat deze Indianen als ‘authentieke mythen’ zien, kan al lang en breed door het heilige boek van de overheersende koloniale macht beïnvloed zijn.

Net zoals inheemse mensen in koloniën geleidelijk ‘creooltalen’ ontwikkelen waarin woorden van de overheerser vermengd raken met de eigen taal, zo zullen ook andere culturele elementen de inheemse cultuur binnendringen – waaronder mythische elementen. Het zou zelfs ongeloofwaardig zijn als er géén kruisbestuiving plaatsvindt wanneer twee culturen voor honderden jaren met elkaar opgescheept raken.

Logischerwijs vindt dit proces alleen plaats wanneer

  • er in de inheemse cultuur overlappende mythologische elementen aanwezig zijn (bijv.: men kent een mythe over een overstroming);
  • de inheemse mythe (nog) niet op schrift gesteld was, maar mondeling werd overgeleverd;
  • de mythe van de koloniserende macht die hier op lijkt wél op schrift is gesteld.

Wanneer een volk dus een inheemse mythe over een vloed kent, is het zeer aannemelijk dat deze mythe in de loop van de eeuwen onbewust ‘besmet’ raakt met de gelijkende op schrift gestelde mythe van de overheerser (het Bijbelse vloedverhaal). En na enkele eeuwen is het onmogelijk vast te stellen hoe de mythe eruit zag vóór de christelijke koloniale invloed.

Hetzelfde geldt voor ‘hof van Eden’-mythen. Ook de fascinerende ‘zondeval-mythe’ van de Iroquoi-indianen zou ontstaan kunnen zijn doordat de inheemsen gedurende honderden jaren overheersing door christelijke westerlingen onbewust Bijbelse elementen overnamen. En het geldt zeker ook voor de taalverwarring-verhalen: dat het oude Babylonië en Griekenland een overeenkomstig verhaal kende is niet vreemd, men neemt tenslotte aan dat Israël het verhaal overnam van de Babyloniërs, en van de Grieken weten we dat ze allerhande verhalen van andere volken overnamen. De accuratesse van het Babel-verhaal van de Azteken is echter, zoals behandeld, zeer omstreden. En het Babel-verhaal van de Elema-stam in Papua Nieuw-Guinea werd opgetekend door zendelingen, en is daarom onmogelijk op waarheid te testen – en zelfs al zou deze naar eer en geweten opgeschreven zijn, dan nog zijn christelijke invloeden er vermoedelijk de beste verklaring voor.

Ik begrijp momenteel niet dat ik werkelijk zo sterk heb geloofd dat een geschiedenis meer dan 4000 jaar lang tot in detail bewaard zou kunnen blijven, op wereldwijde schaal. Ik zie nu dat het te mooi om waar te zijn is. De christelijke Europeanen begonnen zo’n vijf eeuwen geleden aan de kolonisatie van een enorm deel van de wereld, en zij namen de Bijbel met hen mee. De Bijbel was eeuwenlang het meest verspreide boek ter wereld, en bijna overal werd het aan de plaatselijke bevolking opgedrongen. De extreem sterke wereldwijde verspreiding van exact de in de Bijbel voorkomende vloedverhaal-elementen is niet een bewijs dat de vloed echt gebeurd is of de Bijbel accuraat is, maar een bewijs van hoe sterk de invloed van het christendom is na eeuwenlange kolonisatie vanuit het Westen.

Mijn conclusie over vloedverhalen is daarom als volgt:

  • De Bijbel kent een vloedverhaal, maar is daarin niet uniek; veel volken uit de oudheid kenden vloedverhalen en namen elementen van elkaar over. Vermoedelijk is de Bijbelse versie ontstaan door beïnvloeding door de Babyloniërs.
  • Het is goed mogelijk dat er ook in verafgelegen gebieden vloedverhalen voorkwamen in de plaatselijke mythologie, maar we kunnen na 500 jaar Westerse expansie en kolonisatie onmogelijk vaststellen of de nu voor handen zijnde opschriftstellingen van die mondelinge verhalen authentiek zijn.
  • Het feit dat we exact de ingrediënten van het Bijbelse verhaal op wereldschaal tegenkomen is niet een argument voor de accuraatheid van de Bijbel, maar een bewijs van hoe sterk christelijke invloeden reeds honderden jaren zijn. De reden dat we precies de ingrediënten van de Bijbel op alle continenten terugzien en niet de ingrediënten van de Koran of de Hindoeïstische Veda’s is even ontnuchterend als eenvoudig: het christendom werd wereldwijd verspreid en opgelegd aan inheemsen; de Islam nauwelijks en de Veda’s helemaal niet.

Hoe pijnlijk het ook is om toe te geven: mijn standpunt in ‘De Wereldwijde Vloed’ was wat naïef en kwam voort uit mijn wens de Bijbel als waarheid te zien.

Dit alles neemt niet weg dat het een fascinerend gegeven blijft dat het idee van een vloed het meest voorkomende mythische element ter wereld is. Zelfs als die vloedmythen de laatste eeuwen beïnvloed werden door het christendom, dan nóg is dit een interessant gegeven. Maar betekent dit dat er echt een vloed geweest is? Christenen zullen hierop zeker ‘ja’ zeggen, en daar heb ik alle respect voor. Maar ik zelf geloof dat niet meer. Overstromingen kwamen wereldwijd veel voor (dit geld voor Mesopotamië, maar ook voor bijvoorbeeld Noord-Amerika), en het is niet meer dan logisch dat mensen achter zulke natuurrampen een goddelijke verklaring zochten. Na de laatste ijstijd moeten er zeer veel overstromingen zijn geweest. Het idee van een wereldwijde overstroming lijkt bovendien archetypisch te zijn (evenals het idee van een verloren paradijs, het idee van een toekomstige strijd en/of vernietiging van de aarde, enzovoorts). Onder invloed van het christendom kregen de bestaande vloedmythen eigenschappen die overeenkomen met die uit de Bijbel, maar als we die elementen wegdenken, blijft er in ieder geval geen enkele reden over om te geloven dat de Bijbel superieur is, of de ultieme bron. Genesis bevat dan simpelweg één van de vele vloedmythen op aarde.

Je paradigma bepaalt hoe je de geschiedenis reconstrueert
In mijn boek reconstrueerde ik de wereldgeschiedenis vanuit de rotsvaste overtuiging dat er werkelijk een historische Adam was, een historische Noach, een zondvloed, een torenbouw van Babel. Mijn geloof bepaalde hoe ik naar de geschiedkundige feiten keek. Iemand die de Bijbel verwerpt zal op basis van diezelfde feiten volledig tegengestelde conclusies trekken.

Dit geldt allereerst voor de manier waarop ik de parallellen met Genesis wereldwijd classificeerde als afgeleiden van de oorspronkelijke (in Genesis geopenbaarde) waarheid. Een atheïst zal precies andersom redeneren en zeggen dat de Bijbel één van die mythen is.

Hetzelfde geldt voor mijn reconstructies op basis van de 'volkerenlijst' in Genesis, het geslachtsregister dat de nakomelingen van Sem, Cham en Jafet opsomt. Ik beargumenteerde dat Sem, Cham en Jafet echt bestaan hebben en dat de geschiedenis de volken die uit hen voortkwamen perfect bevestigde. Maar we zouden evenwel kunnen zeggen dat het andersom is: de Israëlieten reconstrueerden de herkomst van de volken die zij op dat moment kenden, en dus is het niet meer dan logisch dat we die volken in de geschiedenis terugvinden. Je kunt het vergelijken met dat wij nu zouden zeggen dat de Duitsers voortkomen uit Duit, de Belgen uit Belga, de Fransen uit Frank, de Engelsen uit Angel en de Luxemburgers uit Luxa. Als iemand over duizenden jaren naar deze termen gaat zoeken in oude geschriften en atlassen, zal hij ze allemaal terugvinden. Maar bewijst dit de afkomst van deze volken uit de genoemde stamvaders? Nee, uiteraard niet.

Het is goed mogelijk dat de Israëlieten pas ver na de Babylonische ballingschap de herkomst van de hun bekende volken hebben gereconstrueerd, en ze terugvoerden naar de mythische drie zonen van Noach uit hun heilige boek. Dat zij de stamvader van de volken richting Europa vervolgens 'Jafet' noemden, is niet gek, aangezien de de Griekse volken zelf beweerden dat de god Iapetos hun voorouder was, en de Romeinen de god Jupiter aanbaden. Dat de Israëlieten de veelal Afrikaanse volken naar 'Cham' terugschreven is ook niet vreemd, aangezien de naam Cham verwant is aan een oude benaming van Egypte. En Sem was simpelweg hun eigen mythologische voorvader.

Ik argumenteerde in mijn boek dat de grote bevestiging van de geografische namen bewezen dat Genesis correct was, maar ik zie nu dat mijn paradigma mijn conclusies bepaalde. De werkelijkheid zou heel goed precies andersom kunnen zijn: Israël heeft de herkomst van de volken proberen te verklaren met de op dat moment bekende namen en mythische stamvaders en goden.

De Bijbel als moreel verheven boek
In ‘De Wereldwijde Vloed’ beargumenteer ik dat de Bijbel anders is dan de mythen van volken. Daar waar de volken veelal menselijke, imperfecte en wispelturige goden kennen, zou de Bijbel een ‘rationeel Godsbeeld’ hebben: een God die het menselijke overstijgt.

Ook op dit punt geloof ik dat ik niet objectief naar de materie kon kijken. De God van de Bijbel is in veel opzichten helemaal niet zo verschillend van een Jupiter of Wodan. In de Torah zien we een Godsbeeld dat opvliegerig, manipulerend en zelfs zeurderig is. Een God die perfectie eist, en anders in toorn ontbrand en een slachting aanricht waarbij duizenden gelijk zonder genade omkomen. Laten we eerlijk zijn: zo'n God is eigenlijk net zoals Grieken hun Zeus voorstellen: grillig, manipulatief en een uitvergroting van de mens. (Ik ga hier dieper op in in de eerste hoofdstukken van ‘Waarom ik het christelijk geloof verlaat’.)

Bovendien verdedigde ik het idee van een wereldwijde zondvloed, zonder werkelijk te begrijpen waar ik over schreef. Want hoe goed ik ook probeerde te bewijzen dat er wérkelijk een vloed geweest is, het ontging mij volledig hoe absurd die vloed is in moreel opzicht. Hoe geloofwaardig is het dat de almachtige en alwetende God de aarde schiep en de mensen maakte met een vrije wil, vervolgens woedend op hen wordt omdat ze die vrije wil ook gebruiken, zelfs spijt krijgt dat hij aan de schepping is begonnen, en vervolgens de hele wereldbevolking doodt in een vloed – inclusief vrouwen, kinderen en baby’s. Sterker nog: God zag dat de mensheid ‘vol geweld was’, en als oplossing doodt hij de gehele mensheid. Het is een verwerpelijk idee dat de Schepper van het universum op die manier zijn problemen oplost. Alsof de alwetende God een mens is die spijt krijgt van wat hij doet en dan besluit alles maar te vernietigen!

Ik zie nu dat mijn visie op de Bijbel gekleurd werd door mijn eigen godsdienstige overtuiging. Nu ik die overtuiging niet meer heb, zie ik helderder dat het Oude Testament een godsbeeld kent dat feitelijk precies zo is als dat van veel heidense oppergoden of oorlogsgoden: lief en goed voor wie gehoorzaam zijn, gewelddadig en onberekenbaar richting hen die niet gehoorzamen. Ook de Bijbel kent een mythisch-antropomorfisch Godsbeeld, met een God die net als de meeste heidense goden handelt als een imperfect mens.

Ten slotte
Ik zou nog veel verder in kunnen gaan op de inhoud van mijn boeken, maar ik laat het hierbij. Feit is dat ik, nu ik met mijn geloof gebroken heb, ineens zie dat ik vroeger niet objectief was. Ik ging in mijn boek uit van het idee dat de Bijbel de ‘oergeschiedenis’ zuiver weergaf, en andere volken verwaterde versies kenden. Ik reconstrueerde op basis van dit idee de historie en raamde alle mythen en mythische concepten van volken in dit vooropgestelde kader. Ik deed dat naar eer en geweten en heb altijd getracht mijn bronnen goed te checken en zaken eerlijk te parafraseren. Maar ik was niet objectief. Nu kijk ik er opnieuw naar en vind ik sommige overeenkomsten nog steeds fascinerend, maar zie ik dat mijn voorkeur voor de Bijbel niet eerlijk was. Mijn conclusies kwamen vooral voort uit mijn diepe wens mijn (Bijbelse) wereldbeeld bevestigd te zien.

Het is niet gemakkelijk terug te komen op je eigen werk en fouten toe te geven. Tegelijk weet ik dat voortschrijdend inzicht geen zwakte is: het laat zien dat ik diep nadenk over zaken, en bereid ben mijn eigen ideeën te herzien, zelfs als dat betekent dat ik door het stof moet gaan. Ik neem mijn verantwoordelijkheid nu door eerlijk toe te geven dat ik bevooroordeeld was. Mijn paradigma is momenteel, na jarenlang nadenken en zoeken, volledig omgedraaid.

Wellicht ten overvloede: niet alles in mijn boeken is verkeerd. Het is niet zo dat ik vind dat het boek in zijn geheel bij het vuilnis gegooid kan worden. Ik mag dan misschien compleet veranderd zijn van paradigma, dit betekent niet dat er niet ook interessante en waardevolle historische informatie in mijn boeken gevonden kan worden. Ik heb zeven jaar lang mythologie vergeleken, en de overeenkomsten tussen mythen die ik gevonden heb zijn en blijven fascinerend, en wellicht zullen christenen nog steeds concluderen dat deze mythen Genesis bevestigen. Ik heb daar vrede mee. Het is niet zo dat ik mijn mening wil opdringen: mensen mogen hun eigen conclusies trekken uit de mythen die ik verzameld heb. Wel vind ik dat het mijn verantwoordelijkheid is eerlijk en transparant te zijn over het feit dat ik niet meer achter mijn eigen conclusies sta. Verder heb ik met mijn uitgever afgesproken dat er, vanwege mijn vernieuwde inzichten, geen nieuwe drukken van de boeken meer zullen verschijnen.

(Uiteraard geldt dit niet voor mijn meest recente boek, de thriller 'Vuurvliegen', die geen christelijke elementen bevat.)

Ik hoop dat ik in dit document wat duidelijkheid heb kunnen scheppen.
Wie verder vragen heeft, kan contact met mij opnemen.


Tjarko Evenboer

 

NOTEN

[1] Niet helemaal waar, er was nog een manier: men kon de volken ook zien als ‘verloren stammen van Israël’, iets wat we in de geschiedenis ook zeer vaak zaken gebeuren. We weten dat de ontdekkingsreizigers vanuit hun strikt Bijbelse wereldbeeld de Indianen meermaals hebben aangezien voor stammen van Israël. In mijn boek beargumenteer ik het idee dat de Indianen werkelijk een gedeelde oorsprong vanuit het Midden-Oosten hebben door vroeg transatlantisch contact. Het is niet zo dat ik dat idee per definitie verwerp; ik denk dat er wel degelijk argumenten zijn voor transatlantische contacten in de oudheid. Tegelijk zie ik nu dat de invloed van de koloniserende macht op plaatselijke folklore niet onderschat moet worden: de Indianen zouden verhalen die al te sterk op de verhalen van Israël lijken zeer goed van de christelijke kolonisator kunnen hebben overgenomen.

 

 
 
© Tjarko Evenboer